Vaak antwoord ik gasten die mij vragen “hoe het nou is om in het buitengebied van Twente te wonen,” dat het hier geweldig is. En dat meen ik oprecht.
Elke dag als ik de gordijnen opendoe, is de film net weer even anders dan de dag er voor. Het feit dat we zo ver het landschap in kunnen kijken naar alle kanten maakt het beeld rijker. Per dag zie je de seizoenen verglijden en ik ben eerlijk als ik u zeg dat ik er elke dag van geniet. Deze omgeving is ideaal om een druk hotel te runnen; naast de drukte en het geroezemoes van gasten in het hotel, is er als tegenhanger de omgeving die rust en energie geeft. Niet vreemd dat veel gasten naar deze regio toe komen om op te laden en nieuwe energie op te doen.
Noaberschop
Maar hoe is het dan voor westerlingen die hier komen wonen? In onze begintijd worstelden Marlies en ik regelmatig met het hoe en wat in onze noaberschap, waar we zomaar ineens deel van uitmaakten. In zo’n geval liep ik naar de overkant van de Spiekweg, het erf op van Lucas Maatman, mijn overbuurman en Twente-coach. De noaberschap is een groep mensen die in principe in dezelfde “buurt” wonen, alhoewel het begrip buurt anders moet worden uitgelegd dan een buurt in het dorp of een stad. Onze noaberschap bestaat uit zo’n 12 wijd verspreid liggende huizen en boerderijen met hun bewoners. Maar de naaste buur kan dus zomaar een paar honderd meter verderop wonen. In het verleden waren de noabers degenen met wie je lief en leed deelde, van geboorte tot aan het graf. In dat sociale bestel waren er regels en gebruiken die via overlevering werden doorgegeven. Zo heeft ieder een “eerste noaber,“ die bijzondere taken heeft, bijvoorbeeld in een sterfgeval. Hij gaat dan “aanzeggen” bij de buren, oftewel iedereen informeren dat er een buurtgenoot is overleden. Tot aan de begrafenis volgt dan een ritueel van zorg en opvang, waarin ieder zijn steentje bijdraagt en dat op ons diepe indruk maakte toen we er voor het eerst mee geconfronteerd werden. Een sociaal vangnet eigenlijk, met een taakverdeling die voor iedereen duidelijk is, iets wat in veel buurten niet meer bestaat, maar juist in moeilijke tijden zijn nut bewijst.
Het systeem is gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid, verbondenheid en zorg voor elkaar, in een gebied dat vroeger veel geïsoleerder lag dan nu nog het geval is. Natuurlijk is het noaberschap met de komst van meer welvaart en moderne communicatie veranderd, maar een aantal zaken is ongewijzigd gebleven en bergt veel moois in zich. Eén telefoontje is genoeg om alle noabers op de been te brengen om een “Abraham” te zetten bij de vijftigjarige buurman, op de vooravond van zijn verjaardag. Als ’t klaar is wordt er tegen middernacht een biertje bij geserveerd en kan de jarige soms al gefeliciteerd worden. Op de dag zelf gaan we natuurlijk (weer) feliciteren, waarna mannen en vrouwen als vanzelf gescheiden tafels vormen en hun eigen gesprek voeren. In onze buurt gaat dat in dialect en dat was in het begin even moeilijk, maar inmiddels versta ik alle buren, ook als ‘t wat later op de avond is…
Hoe hej’t dan?
Als je elkaar tegenkomt, gaat de hand altijd even omhoog, men is beleefd, wellevend en nooit opdringerig. Een gesprekje midden op straat kan altijd wel, verzoeken om hulp worden vrijwel altijd zonder tegenwerpingen ingewilligd. Want samen bereik je meer. Moeilijke vragen, die een probleem zouden kunnen opleveren, worden ook wel eens via de eerste noaber gespeeld. Hij is dan degene die de rol van bemiddelaar speelt en suggesties aandraagt voor een oplossing die recht doet aan ieders belangen. Vanuit de historie een logische gedachte om te voorkomen dat het sociale bestel ontwricht raakt. Het sociaal besef is goed ontwikkeld in Twente; uit noodzaak geboren, maar het is een aanwinst, zeker in de huidige tijd.
De mensen die hier wonen leven volgens het principe “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.” Men laat zich nergens op voorstaan en heeft een gezamenlijke afkeur van overdreven gedoe. Daar wordt besmuikt om gegrinnikt en men doet er verder het zwijgen toe. Bescheidenheid uit zich ook in de taal. Botweg “neen” zeggen op een verzoek of vraag is niet gebruikelijk in Twente. “Joa, joa..” is dan wel eens de reactie. Door westerlingen vaak verstaan als “ja,” maar het is een beleefde vorm van weigering of geen mogelijkheid zien om tegemoet te komen aan de wens of het verlangen van de vrager. Als je het weet is het mooi! Taal wordt nooit als wapen ingezet in de Twentse noaberschap. Dat merk je ook in de humor in Twente. Vaak is het zelfspot of een grap over alledaagse gebeurtenissen (die fout zijn gegaan) die heel vermakelijk kunnen zijn. Relativeren is een Twentse deugd.
Na ruim negen jaar in deze gemeenschap hebben we onze plek al een tijdje gevonden. Het noaberschap aangaan is geen verplichting meer, maar het werkt wel in ieders voordeel. Begrip is er voor omstandigheden die maken dat je niet met alles mee kunt doen of je steentje bij kunt dragen. In dat opzicht zijn de Tukkers bijzonder flexibel in de omgang. Ik mag ze graag en voel me hier thuis en gelukkig.
Mijn eerste ervaringen met de Twentenaren dateren van 1980. Toen ik Marlies leerde kennen en haar familie voor het eerst bezocht in Oldenzaal, kreeg ik een mooie sticker, die ik direct op de achterkant van mijn Mini geplakt heb. Een sticker, met het profiel van een Twents dorp met molen en kerk, met daaronder de tekst: “Leu oet Twente: leukeleu!” En zo is het!


